GESCHIEDENIS

Graaf Herman

Onder Franse bescherming (x)

Met gejuich werden de Fransen ontvangen. De minste soldaat scheen een "gentleman", wanneer men hem vergeleek met een brutale Engelse of Schotse officier. Natuurlijk waren er ook ontevredenen. In Emmerik liepen er nog lui rond met een oranje cocarde op hun hoed. In Doesburg had men in de nacht van 8 op 9 september een oranje lint om de vrijheidsboom gebonden. Maar het bleven uitzonderingen. Over het geheel waren ze zeer tevreden, De soldaten etaalden alles, zelfs van de Hessen en de Hannoveranen, die maar opgeëist hadden zonder vergoeding, werden, vereffend! Een gouden tijd brak aan voor de boer! Bij het indienen van zijn declaraties hield hij voldoende rekening met de gestegen prijzen. Zo vonden wij in het archief dat een paard voor f 150 genoteerd werd, een mud aardappelen bracht f2,- op, zelfs werd voor een vierta1 gestolen kippen f 4,- vergoed en voor een viertal verbrande stoelen kreeg de boer f 3,- in handen.

Er heerste nu orde en rust. In januari 1798 had er een dieven- en bede1aarsjacht plaats. Alle wegen, passages en veren waren in de vroege morgen reeds bezet. Toen werden alle verdachte huizen, schuren en hooibergen nauwkeurig doorzocht. Het succes scheen niet gering te zijn, want al de olgende maand klopte men hier weer de omstreken af.

Rust moest er heersen, maar ook op politiek gebied: des te hechter stond de nieuwe Bataafse Republiek. Daarom moest het gemeentebestuur opgeven, of er geen pastoors of predikanten waren, die de nieuwe orde van zaken ondermijnden. Ook de postbeambten kwamen onder toe zicht te staan. In het geheim moest een onderzoek ingesteld worden naar hun gedrag, naar hun politieke denkwijze en of ze gehecht waren aan het nieuwe bewind.'s-Heerenberg bleek een brave stad te zijn, want men antwoordde, dat er niets bekend was, maar dat men bij een eventuele overtreding het onmiddellijk zou laten weten.

Ook de wipgalg op de Galgenberg moest eindelijk verdwijnen. Nog in 1794 las men in de "Geographische Beschrijving van Gelderland": "Tusschen Zeddam en 's- Heerenberg ziet men op een hoogen berg een wipgalg, zijnde de eenigste, zoo ik meen, die hier te lande gevonden wordt." Reeds had men bij plakkaat van 9 september 1795 verboden, dat de lijken van terdoodgebrachten aan galg of rad zouden blijven. Maar in 1798 brak men hem voorgoed af, daar hij alleen mocht opgericht worden, wanneer een be­paalde straf op een misdadiger moest worden toegepast. In hetzelfde jaar had de afkondiging van de nieuwe grondwet plaats. Deze 19e mei werd tot Nationale Feestdag verklaard. Om twaalf uur werd er vanaf het stadhuis een toespraak gehouden. Om de ongeletterde "maires" een leidraad te geven, werd hun de tekst toegestuurd. Verder werden de klokken gebeierd en van onderofficier af tot gemeen soldaat werd ieder een halve fles wijn, 1 1/2 pond wittebrood en 1 pond kaas verstrekt. Jammer, dat de vlag niet van de toren kon wapperen, maar ook hier in werd spoedig voorzien. Er werden vijf vlaggen gekocht á f3,- : twee voor 's-Heerenberg en één voor Zeddam, Beek en Netterden. De rekening werd naar Arnhem gezonden in de hoop, dat men daar de vaderlandsliefde op prijs zou stellen en voor de kosten zou opkomen.

Bureaucratie was er anders genoeg: stapels brieven bewijzen dat. Zelfs kreeg het gemeentebestuur een aanschrijving om er toch voor te waken, dat op jaarmarkten en kermissen geen afbeelding van de guillotine verkocht zou worden. Het spookbeeld van de "mensenslachters" uit Parijs moest maar eens verdwijnen !

In, hetzelfde jaar 1798 kreeg. 's-Heerenberg ook zijn garnizoen. bestaande uit een detachement jagers onder een officier en als boodschappers enige huzaren. Aan de overkant van de grens, in Emmerik lagen de Pruisen. Het was vrede en men maakte het elkaar niet lastig zoals uit het volgende voorvalletje blijkt.

In de junimaand van dit jaar passeerde een deserteur te paard de grens en zocht zich in 's-Heerenberg in allerijl tegen klinkende munt een koper voor zijn ros. De verkoop had plaats, maar voordat de betaling geschiedde, verscheen er al een ritmeester uit Emmerik op het toneel, die beslag wenste te leggen op het paard. In een kort geding besliste men toen in Arnhem, dat het verduisterde dier de grens weer mocht passeren.

De zo gevreesde ''roode loop" werd door de regering ook krachtig aangepakt. Men meende, dat deze ziekte was overgebracht uit het naburige Elten of Zevenaar en daarom werd het verkeer met deze buitenlandse plaatsen zoveel mogelijk beperkt. Zelfs werd de pastoors en dominees verzocht van de kansel bekend te maken, dat het hoogst gevaarlijk was zich naar de besmette streek te het begeven en dat ieder de voorzorgsmaatregelen zou aangrijpen, die het vorig jaar gepubliceerd waren.

Al deze maatregelen kostten natuurlijk geld en de burgers moesten meer in hun zak tasten dan vroeger. Daarbij kwam nog de grote overstroming van 1799, die veel schade veroorzaakte. In 1801 werd b.v. bekend gemaakt, dat allen, die meer dan f 500,- bezaten, 2 % hiervan moesten opbrengen. Om de betaling te vergemakkelijken, mocht het in twee termijnen voldaan worden. Het volgend jaar kreeg men een heffing van ½ % die gedurende acht jaar betaald moest worden.

Het is niet aan te nemen, dat deze belastingen veel opbrachten. Het stadje telde ( in 1809) 613 roomsen, 169 hervormden en 51 Israëlieten. Gaandeweg waren de meer gegoeden uit 's-Heerenberg vertrokken, zoals blijkt uit een brief, gevonden in het gemeente. Archief, die de armzalige toestand van de parochie schetst.

Nergens in het land vond men een armere gemeente! Behalve de misgelden, die ook niet veel bedroegen, kon de priester rekenen 0p f 50 vaste inkomsten. De pastoorscollecte bracht jaarlijks f 34 á f 35 op. Daarbij woonde hij in een gehuurde woning, die in slechte staat verkeerde, waarvoor ok ieder jaar ingezameld werd.

In 1809 het jaar van de grote overstromingen, bezocht koning Lodewijk Napoleon, ook 's-Heerenberg. Persoonlijk wilde hij zich op de hoogte stellen van de schade, die in januari de doorbraak van de Lijmerse dijk had aangericht. Ook hier waren vele doden te betreuren. Hij schonk aan de armen van het stadje 150 ducaten. Zijn intrek nam hij op het slot,waarin destijds het Groot Seminarie gevestigd was. Het St.Jansgilde had voor het ''welkom'' gezorgd en kreeg van de milde koning daarvoor 25 ducaten.

In alle ellende toch nog een lichtpuntje!



<- Terug naar index Graaf Herman
© 2001 Heemkundekring Bergh, info@heemkunde.nl - Design, realisatie en hosting: Montferland Media Studio