Ellende (u)
In deze jaren was men nauwelijks geneigd tot feestvieren. In heel Gelderland koerste weer de "roode loop'' (dysenterie) en ook Bergh bleef niet gespaard. Weinig landvolk op de akkers, weinig burgers in de straten. Geen kermis neer, geen jaarmarkt, geen vermakelijkheden. Err waren plaatsen, waar meer dan het zesde deel van de inwoners stierf en zó woedde deze ziekte, dat geen doodsklokken meer geluid mochten worden, om de overlevenden niet nog meer te beangstigen. De magistraat maakte bekend, dat de lijken voor 's morgens vijf uur of 's avonds moesten begraven worden. De handel in oude kleren werd verboden, Het scheen, dat de geweldige droogte van l783 de inleiding vormde. Ook de schrijver van het gildeboek van Netterden voelde zich gedrongen zijn bevindingen mede te delen: "Dit jaer was het oen seer drooge tijd met zware hette. 3 Augustus op den middaghs was het soo heet, dat men hast niet en woest, waar men sigh bergen zou en daarop kwam daar een zwaaren weyntstarm (stormwind) en daarop een schoer (onweer) met zoon zwaaren haagelslagh en zoon wint, so grousam, dat veele huysen en schuren ben om geweyt, soo dat men meynde dat de warelt vergaan zou." Treurige tijden! Na deze verzengende zomer joeg de rode loop de schrik onder de mensen. Toen kwam de strenge winter. Het vroor, dat het kraakte en wat maar zelden gebeurde, de Rijn zat negen weken dicht. Met zwaar beladen wagens trok men de rivier over. Angstige spanning bevind de mensen, toen in februari de dooi inviel. De ijsschollen zetten zich vast en zienderogen steeg het water, De dijk tussen Wezel en Rees brak door en het onstuimige water golfde over de landerijen. Velen werden verrast en konden zich niet redden. Zelfs de bruggen te Doetinchem en Keppel spoelden weg. Men meldde aan stadhouder Willem V: "d'elende vooral op 't platteland is onbeschrijfelojk."
volgende->
|