GESCHIEDENIS

Graaf Herman

De moord (r)

Bergh zag zijn Heer voorlopig niet. In Boxmeer kon deze in betrekkelijke vrijheid zijn buitensporigheden voortzetten, ook al sprak de hele streek er schande van. Door alles toonde hij, dat hij volkomen krankzinnig was en een gevaar opleverde voor zijn omgeving. Op zekere novemberdag van 1748 vermoordde hij daar een knecht, en bang voor de gevolgen van zijn daad, vluchtte hij in grote haast naar 's-Heerenberg. De "blijde comste'' van de graaf viel de burgers wel tegen! Men zag hem niet en spoedig reisde hij weer naar Boxmeer af.

Financieel stond in deze dagen het graafschap er zeer slecht voor. Niet alleen had de opbouw van het slot- hoe eenvoudig ook - veel geld gekost. maar door de verduisteringen van de rentmeesters, de verspilwoede van de ''dolle graaf'' en de telkens terugkerende inkwartieringen van troepen, waardoor de inkomsten terugliepen, werd het tot aan de rand van de ondergang gebracht.

Daarom kwamen de Staten van Gelderland tussenbeide en benoemden een administrateur in de persoon van mr. Oswald Hoevel. Zuinig beheerde hij de geldmiddelen en probeerde ook in het archief wat orde te scheppen, om des te doeltreffender de vele processen te kunnen voeren. Immers telkens was voor de rechtbank gebleken - en velen hadden er misbruik van gemaakt- dat oude rechten niet konden bewezen worden. In gerechtigheid en trouwe plichtsvervulling trachtte hij het wanordelijk beheer weer in goede banen te leiden.

Zware rampen kondigde de hemel aan, meende het goedgelovige landvolk. Zo zegt het Gildeboek van Netterden:

"In 1744 in yanderwary en feberwary en meert heeft sich een steern met een start schrickelijk in het westen vertoont en de beyerse (soldaten) lagen in Emmeryck,''

Reeds het volgend jaar scheen de boer gelijk te krijgen, want heel Gelderland werd geteisterd door de runderpest, Het vee van de landbevolking in deze streek werd niet gespaard: ''daar storven heele stallen vol en heele weyde vol''.

Na een vijftal jaren begonnen de boeren te herademen. De oorlog was ook ten einde tussen de Republiek en Frankrijk met zijn inkwartieringen en soldatenlast. Maar nog scheen de hemel vertoornd te zijn en zond een aardbeving. Wij lezen in het Parochieboek van Terborg:

''Vandaag, Woensdag 18 Februari (1750)'s morgens acht uur gevoelden wij hier en eenige uren in het ront een aardbevinge, die omtrent 1 1/2 minuut geduurt heft, veroorsakende geen schade, maar een groote verbaestheyt en schrick".

"Daags daerna een lichte omtrent 6 uren, den 20en weer een lichte, maer zwaarder dan de vorige omternt 4 uur.''

Intussen had de graaf in Boxmeer gezorgd dat men hem niet licht vergeten zou. Zijn teugelloos leven - nu geremd door de bemoeiingen van mr. Hoevel- zou nog een slachtoffer eisen. Hij vermoordde er weer een bediende, nam de vlucht en trad als ritmeester in dienst van het Franse leger.

Nu was het genoeg! Voor iedereen was het nu duidelijk, dat de graaf een blijvend gevaar opleverde voor zijn omgeving en dat er een eind gemaakt werd aan zijn krankzinnig handelen. De familie poogde hem in handen te krijgen, maar Johan Baptist onttrok zich aan dit plan door opnieuw op de vlucht te slaan. Eindelijk in de augustusmaand van 1757 ontdekte men, dat hij zich in het Franciscanerklooster te Elten ophield. Oostenrijkse soldaten die daartoe bevel van de Kleefse regering ontvingen, omsingelden het gebouw en spoedig kon men de graaf gevangen nemen. Hij werd naar Kleef gevoerd en later naar Leuven en Keulen en tenslotte naar Hohenzollern, waar hij eerst twintig jaar later in volkomen krankzinnigheid stierf.

In het jaar, volgend op de gevangenneming van de graaf stierf de gravin in een klooster te Aken, kinderloos.

volgende->




<- Terug naar index Graaf Herman
© 2001 Heemkundekring Bergh, info@heemkunde.nl - Design, realisatie en hosting: Montferland Media Studio