Graaf Albert (f)
Het was geen wonder, dat Albert zich een groot heer voelde, Hij was immers in 1607 te Brugge geboren als zoon van graaf Frederik, heer van Boxmeer, stadhouder van Gelderland, ridder van het Gulden Vlies, dapper veldoverste en ervaren staatsman. En was zijn oom Hendrik niet de kundigste generaal van de Spanjaarden? Zeker, na 1632 schaamde men zich een beetje over dit familielid, die Limburg voor 800.000 goudguldens verkwanseld had.
En toch, toen Alberts vader in 1618 stierf, was graaf Hendrik tot voogd benoemd en had als zodanig veel werk gemaakt van het toekomstig huwelijk van zijn petekind. Reeds lang was dit een uitgemaakte zaak in de familieraad. Albert zou huwen met Maria Elisabeth, erfdochter van graaf Herman van den Bergh, waardoor graafschap en heerlijkheid weer in één hand zouden komen.
Toen in 1612 de besprekingen begonnen, telde de toekomstige bruid slechts twee jaar en haar bruidegom maar vijf. Maar men kon wachten en in 1620 begon men alvast de verschillende huwelijksbeletsels weg te nemen. Daarvoor was tijd nodig, maar toen in 1625 met veel pracht en praal het huwelijk voltrokken werd tussen de vijftienjarige Maria en de achttienjarige Albert, kon men de dispensaties overleggen van Paus Paulus V wegens de minderjarigheid van de bruid en te enge bloedverwantschap!
Dat Albert al als jongen van elf jaar de hulde genoot als heer van Boxmeer, had natuurlijk invloed op zijn karakter; hij werd zeer heerszuchtig en duldde geen tegenspraak. De eenvoudige, landelijke bevolking waagde dit ook nauwelijks, maar buiten zijn bezittingen zal men hem spoedig beschouwd hebben als iemand, die steeds zijn zin wilde doordrijven. Zijn hele leven door voerde hij dan ook processen!
Na de dood van zijn moeder, die voor de tweede keer gehuwd was met de markies de St.Rémy. had hij het al spoedig met zijn stiefvader aan de stok over de verdeling van de erfenis.
Volgens graaf Albert poogde de markies uit de nalatenschap te halen, wat er maar te krijgen was, zodat hij op de omslag van de processtukken schreef: '' Brieven van een kwaden stiefvader dien ik gehad heb, genaamd de Markies de St.Rémy, na den dood van mijn overleden moeder; omdat, na mij geheel uitgeplunderd te hebben, ik hem niet de heele rest wilde geven, die ik nog bezat". Men voelt de korzeligheid van het arme stiefkind!
volgende->
|