(a)
Van oudsher was Spa een beroemde badplaats en de grote concurrente van Aken. De zieke rijke mensen met hun kwalen en kwaaltjes stroomden er heen, om door de krachtige baden hun leven weer enige jaartjes te verlengen. We vinden er de beroemdste mannen van hun tijd en in 1611 treffen wij er ook aan graaf Herman van den Bergh, stadhouder van Gelderland, ridder van het Gulden Vlies. Het was een heerlijke julimaand, toen hij er arriveerde met heel zijn familie en in de eerste dagen zag men hem dikwijls met zijn jonge vrouw, Maria Mencia, markiezin van Bergen op Zoom.
Jammer, dat ze slechte een dochter hadden en geen zoon die hem zou opvolgen!
Al zag graaf Herman er afgeleefd uit, toch was hij nog betrekkelijk jong, pas 53 jaar. Opvallend was het ook, dat hij slechte één oog bezat.
Als een droom scheen zijn leven voorbijgegleden. Scherp stonden zijn jeugdjaren hem nog voor de geest. Hij zag zijn lichtzinnige vader met zijn grootse plannen, die, slecht voorbereid, steeds mislukten. Ook zijn moeder, de streng godsdienstige vrouw, die met vaste hand haar huisgezin bestuurde en zich door moeilijkheden niet gemakkelijk terneer liet slaan. Herinneringen welden in hem op aan het schitterende hof te Brussel en aan de eiken- en beukenbossen van Bergh, waar hij zo graag ronddwaalde. Toen kwam het Verzet tegen Spanje en de ineenstorting! Hij maakte mee de ongelukkige vlucht uit Kampen, waarbij zijn doodzieke moeder achtergelaten werd; het woelige, ruwe zeeroversleven in het geuzennest Bremen. Gelukkig voelde Herman zich, toen hij de reis mocht ondernemen naar zijn oom Jan van Nassau op het slot Dillenburg, waar hij goede kameraden vond onder diens vele kinderen, Later vertrok hij naar Heidelberg, waar zijn oom hem heenzond, om aan de universiteit een grondige kennis op te doen van de Lutherse godsdienst. Dat was een mislukking geworden; hij voelde zich te veel soldaat om deel te nemen aan theologische disputen.
Eindelijk, na de Pacificatie van Gent (1576) mocht hij naar het slot Bergh terugkeren. Drie jaar later zond zijn vader hem als plaatsvervanger naar de vergadering van de Staten van Gelderland. als eerste onder de ridderschap. Zijn voorstel om maar vrede met Spanje te sluiten, was bij zijn opvliegende oom Jan van Nassau, toen stadhouder, niet in goede aarde gevallen!
Aan de volgende jaren van kronkelen en wringen tussen de opstandelingen en Spanje dacht hij niet graag. Al beschouwde zijn vader het bedrog als plicht van zelfbehoud, de natuur van Herman kwam er tegen in opstand.
Toen zijn vader Jan van Nassau opvolgde, kreeg ook zijn oudste zoon kans op wapenroem. Rij werd aangesteld als commandant van Lochem, ''het stercke en welgelegen stedeke op de riviere Berckel". Spoedig kwam reeds opdagen de Spaanse stadhouder van Friesland, de beroemde Verdugo, "de kloecke ervaren en beleefte Spaengiaert, die door zijn dapperheyt van kleyne conditie tot den gouvernemente van Vriesland gekomen was". Weldra zag hij de Spaanse schansen oprijzen, die elke toevoer van levensmiddelen afsneden, zodat Lochem gebracht werd "tot den uytersten noodt van proviand".
Met genoegen sprak Herman later nog over de mislukte list van Verdugo, die door middel van een hooiwagen het stadje trachtte te veroveren. Ten slotte moest de Spanjaard zijn pogingen opgeven!
Was het een wonder, dat hij na zijn terugkeer tot de koning een bevelhebberschap kreeg? Toen kwam het noodlottig ruitergevecht bij Stavoren. Zelf werd hij zwaar gewond, zijn broer Oswald sneuvelde. De bijzetting had plaats in het gewelf van het kleine torentje te Ulft. Enige tijd later zou ook zijn vader daar een voorlopige rustplaats vinden. totdat er gelegenheid zou zijn beiden naar de grafelijke grafkelder in de kerk van 's-Heerenberg over te brengen.
In dit jaar 1566 werd Herman graaf van den Bergh., Tijdens zijn veelvuldige afwezigheid bestuurde zijn moeder Maria van Nassau de bezittingen, tot zij in 1599 naast haar man en kinderen werd bijgezet.
Onverwachts werd graaf Herman in 1591 naar Ulft teruggeroepen voor een droef voorval. De vorst was vroeg ingevallen en de 15e november hadden zijn beide zusters, de achttienjarige Wilhelmina en de elfjarige Juliana, de schaatsen ondergebonden, om op de bevroren slotgrachten een baantje te maken. Maar het ijs was nog niet sterk genoeg geweest en de ijlings toegesnelde bedienden hadden slechte twee lijken kunnen bergen.
Overigens was het een ongelukkig jaar geweest voor graaf Herman. Als kolonel van de Spaanse troepen had hij Deventer tegen zijn neef Maurits verdedigd. Hij had zich niet gespaard en zelfs was hem een oog uitgeschoten. Maar wat baatte zijn moed tegen de belegeringskunst van de jonge veldheer en hij had de stad moeten overgeven.
volgende->
|