
De molen Ten Benzel
Molen Loerbeek ondanks verzet monument
LOERBEEK. De molen van Berntsen in Loerbeek moet van het gemeentebestuur van Bergh toch op de monumentenlijst. Inclusief het uit 1925 daterende motorhuisje. Een verzoek van de eigenaren, broer en zus Harry (80) en Riet Berntsen, de molen om bedrijfstechnische redenen niet tot monument te bestempelen, is afgewezen. Het college van burgemeester en wethouders heeft daarmee het advies van de bezwarencommissie overgenomen.
De molen van Berntsen is in Loerbeek ook wel bekend als de molen Ten Benzel, de naam van de bouwers van de molen. De Loerbeekse molen werd eind achttiende eeuw, dus nog vóór het jaar 1800, gebouwd nabij de kruising Doetinchemseweg St. Jansgildestraat en Berkenlaan.
Op de begane grond is de molen bijna geheel ingebouwd met de lelijke schuren en silo van de latere, mengvoederhandel. De kop van de molen is verdwenen, de bovenzijde open. In 1925 al stapte de molenaar over op elektrische aandrijving, ten behoeve waarvan toen het karakteristiek geachte motorhuisje is neergezet. Daarin draaide een dieselmotor, die de elektriciteit opwekte.
Het molencomplex is al tientallen jaren verhuurd aan de Wehlse tak van de familie Berntsen. Eigenaar Hans Berntsen van Berntsen Mengvoeders Wehl/Loerbeek, die ook een bedrijf heeft aan de Kelderlaan in Wehl [Meerenbroek], zegt best voor het conserveren van het oude te zijn.
"Maar niet voor deze waardeloze oude stomp, die toch nooit meer iemand wil opbouwen. De molen is in de zeventiger jaren afgebrand en dit is alles wat ervan over is," zegt Berntsen. Wind en regen hebben vrij spel, want de Loerbeekse molen is van boven open. Dat betekent ook, dat de gemetselde stenen elke winter verder kapot vriezen. "Het wordt straks nog gevaarlijk eromheen te lopen," zegt Berntsen. Hij vindt bovendien dat hij in zijn bedrijfsvoering beperkt wordt. De molen is helemaal ingebouwd met schuren en de mengvoederhandelaar heeft plannen het een en ander af te breken om er een mooie, nieuwe schuur neer te zetten. "We moeten de boel hier eens opruimen. En zo denkt tante Riet er ook over," weet Harry Berntsen.
Tante Riet en haar broer Harry wonen in het huis naast de molen. Harry, inmiddels 80 jaar en niet meer zo vlot ter been, herinnert zich nog hoe het vroeger was. "Ten Bensel woonde vroeger op de grens van Nederland en Duitsland. Hij wist eigenlijk niet of hij Duitser of Hollander was. Hij werkte hier en daar wat en kwam tenslotte bij de familie Van Onna terecht. Na de dood van Van Onna kreeg hij een fors erfdeel, waarvan hij, met hulp van enkele rijke boeren de molen bouwde. Die boeren zagen wat maalcapaciteit dichtbij huis wel zitten."
"Later trouwde mijn vader Albert, de oudste zoon van mijn grootvader die een molen in Azewijn had gebouwd, in bij de familie Ten Bensel. Mijn broer Wim volgde mijn vader op in het bedrijf, maar kwam in 1940 helaas om op de Grebbeberg. Heel erg wat die Duitsers ons land hebben aangedaan," peinst Harry. De molen werd daarna voortgezet door Harry's andere broer Gerrit en later door de Wehlse tak van de familie.
¹Zie Kerspel Beek in de Liemers blz 903 (onderschrift foto): De plannen van J.W. ten Bensel, molenaarsknecht te Duiven, om in Beek een windkorenmolen te bouwen, worden op 18-4-1844 goedgekeurd door de Minister van Binnenlanssche Zaken "vanwege den Koning".
Gezinsblad op dezelfde bladzijde:
Johannes Wilhelmus ten Bensel, molenaar
gb/rkgd Suderwick (Liedern Pr), + 25-11-1895 Beek
zv Jan ten Bensel, landbouwer en Gertrud Becking
X 21-10-1847 bs Bergh (23)
Theodora Diks
gb 28-4-1825 Beek, +13-3-1866 Beek
dv Bernardus Diks en Willemina Hetterscheid
Kinderen:
geboren in 's-Heerenberg: 1; geboren in Beek: 6
Uit de Gelderlander van 6 december 2002
terug
Molen te Lengel (verdwenen)
Op 10 april 1855 krijgt G van Bree toestemming van Gedeputeerde Staten van Gelderland om in Lengel een molen te mogen bouwen op een stuk grond, kadastrale gemeente 's-Heerenberg, sectie I, nummer 223. Van Bree heeft waarschijnlijk toestemming gevraagd om deze molen te mogen bouwen ten behoeve van zijn schoonzoon Hieltjes (Heijltjes). De molen en percelen bij de molen zijn gekomen op Sectie I nrs 709.
Op 4 oktober 1861 is de houten korenmolen afgebrand. de knechten waren enige tijd voor de brand in de molen en hielden zich bezig met het scherpen van de stenen en hebben daarbij licht gebrand. Misschien is er vuur in de molen achter gebleven.
De molen was voor f3000,-- bij de Tielsche Maatschappij tegen brandschade verzekerd. Bij de taxatie, enkele jaren eerder, was de waarde van molen en erf gewaardeerd op f1500,--.
DE STOKKUMSE MOLEN
De Berghse molens hebben grote aantrekkingskracht en worden vaak bezocht. Zo ook de Stokkumse 'Düffels Möll'. Hij is niet over het hoofd te zien op de wegen die naar Stokkum leiden. Toen in 1953 het gedenkboek ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Dr J.H. van Heek uitkwam, had de molen nog niet de status van monument en stond 'als een zwart geteerd peperbusje' op het hoogste punt van het Stokkumse Veld. In een hoofdstuk over molens spreekt Anton Sipman van een merkwaardige geschiedenis. De eigenaar van Huis Bergh was niet zo in zijn sas toen de molen in 1861 gebouwd was. Het betekende concurrentie voor zijn eigen molens. Om de molenaar dwars te zitten overwoog hij de omringende grond - die grotendeels van Huis Bergh was - vol te poten met dennen. Deze zouden de wind uit de zeilen nemen. Zijn rentmeester vond dat geen goed idee: het zou Huis Bergh alleen maar een slechte naam bezorgen. En Huis Bergh had toch al geen beste naam bij de Berghse bevolking; daar kwam pas verandering in met de komst van Van Heek. Bovendien zou het heel lang duren eer de bomen geld konden opbrengen, wat 'een machtig bezwaar vormde voor de Hohenzollerns'.
De dennen zijn er niet gekomen en de wieken draaien als vanouds. De geschiedenis van de Stokkumse molen wordt door Edwin Zweers verteld in Old Ni-js nummer 34 en zal ook worden opgenomen op de site van Heemkundekring Bergh bij het platform van Berghse molens.
Montferland Nieuws 3 september 2002
Vinkwijk-Zeddam
"De Volharding"
In 1854 is er een verzoek van J.H. Hermans om te Vinkwijk een korenmolen op te mogen richten. De molen 'De Volharding' in Vinkwijk heeft een eigen site (link bij site Torenmolen). Het is een zg Beltmolen. Het bouwjaar van de molen is 1891 en heeft een belthoogte van 3 meter. De ronde stenen romp heeft een houten kap afgedekt met dakleer. Fa.Beckers heeft het ijzeren wiekenkruis met roeden gemaakt en is oud-Hollands opgehekt. De gietijzeren as is 4,40 meter lang. De vlucht is 20,50 meter verder bestaat de molen uit 3 verdiepingen naast de begane grond:
1- verdieping de "Maalzolder"
2- verdieping de "Steenzolder" ( 1 koppel blauwe stenen + 1 koppel kunststenen)
3- verdieping de "Kapzolder" ( Kruiwerk met neuten )
Windkorenmolen Braamt
Grondzeiler
Het begint er steeds meer op te lijken dat men in Braamt op een verkeerde datum het honderdvijftig jaar bestaan van de Koenders-molen heeft gevierd.
Op de baard staat het jaartal 1832. Volgens het kadaster sticht Jan Willem Kelderman de molen echter in 1855 op een perceel grond van Bernd Ooijman.
De molen heeft een vlucht van 22 meter, een ijzeren bandvang en onder de kap zijn de steigergaten afgedekt met vierkante beschilderde plankjes.
In Old Ni-js zal ter zijner tijd de geschiedenis van deze molen behandeld
worden.
TORENMOLEN 'S-HEERENBERG (verdwenen)
De oudste 's-Heerenbergse molen heeft gestaan op de thans nog als zodanig bekende 'Molenberg' thans r.k. kerkhof aan de Oude Doetinchemseweg, even ten Noord-Oosten van het stadje [bij oorlogsmonument en bushalte]. In 1444 is er reeds sprake van de molenkuil achter de molen aldaar (Regest 575 Archief Huis Bergh) en vermoedelijk is is hier reeds sprake van de torenmolen die daar tot
1570 gestaan heeft. In 1451 wordt deze molen nog eens vermeld met zijn soortgenoten te Zeddam, Didam en Gendringen, als Willem, heer van Bergh, aan het door hem gestichte gasthuis in de Kellenstraat een rente schenkt van 1 mud rogge en 1 mud mout uit elk van zijn vier molens in de genoemde plaatsen (Regest 658 Archief Huis Bergh).
De molen te 's-Heerenberg was, evenals de andere Berghse molens te Zeddam, Didam en Gendringen, een dwangmolen. De onderzaten van het graafschap bergh waren verplicht daar en nergens anders hun graan te laten malen. Dat deze bepaling wel eens ontdoken werd leert ons een brief uit het Archief Huis Bergh van 4 augustus 1475 (Br. no. 295) waaruit blijkt dat de pachter van de molens te 's-Heerenberg en 's-Heerenberg, Hendrik ten Alten, ruw opgetreden was tegen een zekere Gerrit Tike, die zelf rogge gemalen had in plaats van dit op de molen te laten doen en daarvoor zijn maalgeld te betalen. Hendrik ten Alten pleegde zijn gewelddaad echter in Terborg dat onder de heer van Wisch behoorde. Deze zette de Berghse molenpachter dan ook prompt gevangen en graaf Ludolf van Bergh moest naar de heer van Wisch schrijven om Ten Alten's vrijlating te verzoeken en de zaak te schikken.
Op 22 juli 1570 werd de torenmolen door de bliksem geraakt en volkomen vernield.
door H. Stam in De Graafschapbode, 19 januari 1959
STANDERDMOLEN 'S-HEERENBERG (verdwenen)
Nadat de torenmolen in 1570 door de bliksem was geraakt en volkomen vernield, werd in datzelfde jaar een nieuwe molen gebouwd op de 'Molenberg', nu een houten standerdmolen. Deze werd begin 1585 voorlopig verpacht aan Alheit Brullen (Regest 4041 Archief Huis Bergh). De standerdmolen heeft er eeuwenlang gestaan, in 1826 kwam deze aan zijn eind toen hij aan vernieuwing toe was en de molenbouwer Harmen Kok de kruisplaten zou vernieuwen en daartoe de molen gestut had. Buiten diens berekening om zakte de molen plotseling in elkaar en Kok kon niet meer precies vertellen wat er gebeurd was omdat hij zo geschrokken was dat hij er niet naar kon blijven kijken!
Vanaf dat jaar bleef de oude 'Molenberg' zonder molen. Als enige herinnering rest in 's-Heerenberg nog de naam 'Molenpoortstraat' zoals de van de Zeddamseweg af de stad binnenvoerende straat heet. Vroeger toen 's-heerenberg nog wallen en poorten had, stond daar de 'Molenpoort', aldus genaamd naar de buiten de stadspoort staande windmolen.
door H. Stam in de Graafschapbode van 19-01-1959
WIJNBERGEN
In 1853 werd vergunning verleend aan J. Hillebrand te Doetinchem 'tot oprichting eener windkorenmolen' te Wijnbergen.
Azewijn
De molen te Azewijn wordt door H. Stam behandeld in de Graafschapbode van 19 januari 1959.
Omdat er een boek over Azewijn op komst is, hebben we tekst hier niet integraal opgenomen.
Beek Onderslagmolen
Lang geleden, wanneer en hoelang geleden is onbekend, was er volgens overlevering, een kleine onderslagmolen.
Dichtbij de plek van het tegenwoordige "'t Peeske". Waar de waterloop van de roeivijver samenkomt met een thans droge leiding van 't kleine Peeske, zijn in 1885 bij de aanleg van een bovenslagmolen restanten gevonden van de onderslagmolen.
Netterden in de tijd dat het Bergh was
Dwerg windkorenmolen
Eeuwen lang werd te Netterden door het St.Walburgisgilde een rosmolen beheerd, die verpacht was aan de fam.Bruins en die in 1721 werd overgedragen aan Huis Bergh. In 1860 - toen Netterden nog deel uitmaakte van Bergh - bouwde A.Gerritsen wegens het ontbreken van een molen, een dwerg windkorenmolen, die rond 1870 eigendom werd van de fam.Terhorst. Nazaten van deze molenaarsfamilie bleven koren malen en een meelhandel drijven, zij het dat de windmolen kort na
wereldoorlog II werd gesloopt.
BRAND IN BEEKSE MOLEN
Uit Old Ni-js nummer 31 door John Thoben
Een van de feodale rechten van een heer was het recht van de wind. Dit hield in dat hij zijn onderdanen kon verplichten hun graan te laten malen uitsluitend op zijn molen, die dan ook "dwangmolen" werd genoemd. Berghse dwangmolens stonden in Gendringen aan de weg naar Anholt, in 's-Heerenberg op de plaats waar nu het Galamamonument staat (op de splitsing van Oude Doetinchemseweg en Lengelseweg) en in Didam. In Zeddam staat de laatste Berghse dwangmolen nog steeds.
In de Franse tijd werden de feodale rechten afgeschaft en daarmee ook het recht van het gemaal of de wind. Gevolg was dat overal in den lande molens werden gebouwd, die door onafhankelijke ondernemers werden geëxploiteerd en die de boeren ook vrij konden kiezen. De boeren van Beek moesten laten malen op de torenmolen van Zeddam; de tegenwoordige grote weg van Beek naar het Tolhuis in Zeddam werd dan ook "De Beeksche Molenweg" genoemd. In 1841 kwam hierin verandering: een zekere Franciscus Bernardus Boubaij liet door molenmaker Loman uit Arnhem in Beek zelf een splinternieuwe windkorenmolen bouwen.
Lang hebben de Bekenaren van deze molen in hun dorp niet geprofiteerd, want "in de nacht van 8 op 9 April 1842 is de jongstleden geplaatste windkoorenmolen te Beek" afgebrand. Hij was verzekerd bij de Tielsche Brandwaarborgmaatschappij voor f. 6000,-. Kwade wil wordt niet vermoed.
Toch stelt de burgemeester ambtshalve het vereiste onderzoek in en al spoedig heeft hij allerlei gegevens verzameld, die er op wijzen dat Boubaij niet vrijuit gaat. Zelf heeft hij een alibi: hij was op 8 april naar Zutphen gereisd en 's-avonds niet teruggekomen, want hij was blijven slapen bij zijn aanstaande schoonouders in Wehl. De molenaarsknecht schijnt ook zonder blaam: bij zijn werk heeft hij geen vuur of een brandende pijp gebruikt en 's-avonds voor zeven uur had hij de molen al gesloten.
Verdacht was echter dat de "som van verwaarborging" rijkelijk hoog was: f. 6000,-, terwijl Loman de molen voor ruim f. 3300,- had aangenomen. R de Neree, secretaris van de gemeente Zevenaar en agent van de Bossche Brandwaarborg Maatschappij, is door Boubaij benaderd om de molen voor f. 6000,- verzekerd te krijgen op een verklaring van Loman dat de molen was aangenomen voor f. 6000,-,
maar de Bossche ging daar niet op in.
Veertien dagen of drie weken voor de brand bezocht Loman De Neree om te weten te komen, of de molen wel goed voor brandschade verzekerd was, want hij had van Boubaij nog geen geld ontvangen. Hij zei: "Men kan soms niet weten, hoe een ongeluk kan plaatshebben, en daarom oet ik weten of alles goed in order is".
De indruk bestaat dat Loman op dat moment geweten heeft dat de molen bij de Tielsche was verzekerd.
Voorts was verdacht dat Boubaij korte tijd voor de brand in Beek voor f. 800,- een huis en een stuk grond had gekocht. "Deze koop heeft eenigzints opzien gebaard terwijl voorzover bekend is de genoemde Molenaar geen de minste middelen bezit". (GA Bergh brievenboek 1842 div. nrs)
Aan de brand zit dus niet alleen een brandluchtje, maar ook nog een ander veel kwalijker luchtje! Boubaij schijnt er voor gezorgd te hebben dat zijn molen in de brand vloog om zelf uit te brand te geraken!
Hoe het gerechtelijk onderzoek verder is verlopen, is in het Berghse archief niet te vinden.
PATRONES MOLENAARS
Tijdens monumentendag was Radio Gelderland in en rond de Torenmolen in Zeddam aanwezig met het programma Achterhoeks Accent. De molenaar toonde een nis in een muur van de molen waar vroeger het beeld heeft gestaan van de patrones der molenaars, de heilige Katharina die op 25 november haar naamdag heeft. De heilige is de patrones der molenaars, omdat haar met haken of schoepen bezet wiel - waarmee ze wordt afgebeeld - aan het rad van de watermolen deed denken.
Proferssor Dr. J.J.M. Timmers vertelt wie zij was in 'Symboliek en Iconographie der Christelijke kunst' (Roermond-Maaseik 1947). Volgens de legende zou Katharina onder keizer Maxentius in 306 of 307 gemarteld zijn. Historisch staat over haar weinig of niets vast. In de 15e eeuw en daarna behoort zij tot de meest populaire heiligen. De legende verhaalt, hoe zij vijftig heidense wijsgeren in twistgesprekken overwon en hoe Christus zich op mystieke wijze met haar verloofde en haar Zijn ring aan de vinger schoof. Zij werd door Maxentius veroordeeld om door een uit vier met scherpe punten en tanden bezette wielen bestaand foltertuig gemarteld te worden, maar een engel verhinderde het, door dat hij het martelwerktuig vernielde. Daarop werd de heilige onthoofd.